Het numineuze

We leven in twee werelden.

De eerste, dat is de wereld van onze dagelijkse materiële behoeften en sociale verhoudingen, het kleine kringetje van onze belangen.

Wat zullen we morgen eten en hoe zullen we ons kleden, welke bezoeken zullen we afleggen en welke gasten zullen we vragen; hoe zullen we onze inkomsten vermeerderen en hoe ons genot verhogen, wat zal de een ons aanrekenen en de ander in ons prijzen. Dat zijn de kwesties van de dag in dit beperkte wereldje, waarvan de grenzen zich niet verder kunnen uitzetten dan eigen voordeel reikt, dan eigen eer strekt. We grazen in de groene weiden van ons persoonlijk en maatschappelijk welzijn.

Voor sommigen, voor velen, zijn de levensvragen talrijker en vooral belangrijker dan de gestelde. Hoe kunnen we 't best leven tot geluk van onszelf en van onze naasten? Hoe onze kinderen op te voeden, hoe de wetenschap uitbreiden, hoe de kunst dienen, hoe de rechtvaardigheid betrachten? Wat kunnen we doen om het wereldse ideaal te bereiken: een gelukkig leven voor allen.

Toch, hoewel de onderwerpen van hun denken, de inhoud van hun daden van rijker gehalte, van zuiverder aard zijn, toch leven deze stervelingen hun gewoon aardse leventje. De wereld waarin ze zich bewegen moge ruimer wezen - 't is een zelfde wereld van wereldse belangen. Een wijziging in de omstandigheden is voldoende om deze belangen onmiddellijk te doen veranderen van aantal en aard.

We leven allen in de zorg voor 't stoffelijk en maatschappelijk bestaan van onszelf en de onzen.

Maar er is nog een andere wereld, waarin we ook allemaal leven, niet één uitgezonderd. Een enkele, mogelijk velen, ziet het niet. Maar zijn kortzichtigheid, zijn blindheid verandert niets aan het feit. Hoe behaaglijk moge hij zich voelen tussen allerlei zinnelijke en geestelijke genietingen, te midden van 't gezellig verkeer met mensen en boeken, zijn onbewustheid van de eigenlijke aard van zijn bestaan is slechts een nevel, die snel en onverwacht kan optrekken. Plotseling kan 't hem duidelijk worden, dat er nog een andere wereld is dan 't enge cirkeltje van zijn dagelijkse bedrijf, dat hij behalve werkzaam lid van een kleinere of grotere samenleving, ook nog is: sterveling in een onbegrensd heelal.

Ik weet de avond nog, toen deze waarheid me helder en krachtig bewust werd. 'k Was zestien jaar en keerde van een avondles huiswaarts. Zoals gewoonlijk blikte ik op mijn eenzame wandeling naar boven, naar de sterrenhemel. De miljoenen gouden puntjes in dat diepdonkerblauw schitterden en tintelden me toe en ik neuriede het liedje, dat ik als kind geleerd had en waarin den sterretjes zoo vertrouwelijk gevraagd wordt:

 

Sterretjes, zie ik u blinkende staan,

Is het mij vaak door het hoofdje gegaan:

Waar komt ge 's avonds toch wel vandaan?

Waar gaat gij 's morgens weer heen?

Weet ge den weg zoo alleen?


De sterren waren voor mij steeds ‘sterretjes’ geweest, gouden lichtjes, en geen godsdienstles, geen astronomische les had me voor de grootheid, voor de majesteit van den sterrenhemel de ogen kunnen openen.

Maar nu – eensklaps werd ik aangegrepen door 't schitterend wonder, dat nagenoeg nacht aan nacht tot de mensenzielen spreekt terwijl duizenden en miljoenen er geen oor voor hebben.

't Was me, of de sterren loslieten van 't uitspansel en me naderden, naderden in letterlijke zin.

De tintelende goudpuntjes groeiden langzaam tot kleine ronde goudvlekjes, cirkeltjes met scherpbelijnde omtrek en al maar door goud uitstralend.

En die goudvlekjes breidden zich uit tot grotere cirkels en werden toen gouden bollen, manen, die met toenemende snelheid uitgroeiden en zwollen.

Er kwam diepte in de hemel.

Wat tot vandaag een blauw gewelf was geweest met goud besprenkeld, werd nu een ruimte, zoals de stereoscoopplaat achter het dubbele glas haar platheid verliest en de afgebeelde dingen in perspectief zet.

't Heelal was vol blinkende bollen, los zwevend in de lege ruimte, en naarmate ze groter werden doken er uit de diepte des hemels steeds nieuwe goudpuntjes op die, naderend en uitzettend, weer gevolgd werden door miljoenen andere, die totnogtoe volkomen onzichtbaar waren geweest maar nu langzamerhand uit de ondoordringbare verte te voorschijn kwamen.

En 'k zag mijzelf staan aan de oppervlakte van een kleine bol, die Aarde heette, en die inkromp naarmate de sterren aangroeiden in aantal en omvang.

Had ik tot vandaag alleen oog gehad voor de hemellichamen boven me, nu, alsof ik over de horizon heen kon zien, zag ik ook links en rechts van de Aarde vuurbollen aanzweven, en eindelijk ook onder haar.

Ik sidderde. Een machtige ontzetting greep me aan. Ik stond midden in het heelal. De geweldige grootsheid van de hemelruimte sprak tot me. Ik voelde me een heelalbewoner.

De leerling, die nog geen half uur geleden op de les een onheuse bejegening had ondervonden, omdat hij de draaiing van de aarde om de zon niet had kunnen verklaren, was door de sterrenhemel zelf opgetrokken tot de majesteit der schepping. Zijn leerlingenstatus was hij vergeten. Hij voelde zich burger van de oneindige ruimte.

Een droevig burgerschap, dat hem terneder sloeg.

Was de mens niet anders dan een stofdeeltje op de aardbol en met deze zwevend in de ruimte?

Ach, 't scheen wel zo.

Om me heen in 't leven, wat de mens leven noemt, zag ik niet anders dan de dood. Dagelijks stierven er duizenden en duizenden op zijn aardbodem, die de meesten hun wereld noemden. En zo was 't al gegaan, eeuw in eeuw uit. Geslachten na geslachten waren verdwenen, weggeteerd in 't stof, waaruit ze waren voortgekomen. Een eeuwigheid lag achter me, donker verleden. Een eeuwigheid lag vóór me, donkere toekomst. En tussen beide eeuwigheden in leefde ik, een vluchtig verschijnsel, een verschietende ster aan de diepdonkere hemel. En mijn tijdgenoten met mij.

Wat was het menselijk bestaan anders dan een stofje in de oneindigheid, een adem in de eeuwigheid, een moment van oplichten van de materie onder 't licht van 't leven.

Straks zou de dofheid weer terugkeren en de dode stof als de levende voortgaan in eeuwige draaiing met den aardbol te midden van de miljoenen wentelende vuurbollen, dansend haar eeuwige dans in de ruimte.

De mens slechts een stofdeeltje in 't heelal.

Maar vanwaar dan in hem de geest, die dat allemaal overzien kan? Vanwaar de bewustheid van eigen bestaan en van al 't omringende?

Dat geestelijk element, dat hem boven alles verhief, dat hem de dode materie deed gehoorzamen aan zijn wil, dat hem de gehele planten- en dierenwereld onderwierp – wat was het, vanwaar kwam het?

Die lichtsprank, stralend in zijn stoffelijk zijn, was die niet evenzeer een molecuul, een atoom van het eeuwige Licht, als het stoffelijk hulsel deel was van de eeuwige Materie?

Of zou die geest zich nergens hoger, rijker en machtiger openbaren dan in de mens? Zou deze, stoffelijk zo'n niets in vergelijking van 't heelal, geestelijk de hoogste openbaringsvorm zijn?

Maar dan was 't bitter droevig met hem gesteld; met hem, die alles óverzien maar niets dóórzien kon, die alles kennen mocht maar niets begrijpen; die bij al zijn kracht de machteloosheid zelve was; die kon grijpen naar de waarheid maar nooit haar begrijpen; die onafgebroken gebukt zou gaan onder de wetenschap van eigen onwetendheid. O beter, onnoemelijk beter zou 't zijn, dode stof te wezen, waarin geen verlangen leeft, dan een geestelijk bestaan te bezitten, dat zich eigen onmacht volkomen bewust is en geen hoger geest boven zich kent.

Maar nee, dat kon niet. Zoals het klompje stof, dat den menselijke vorm had aangenomen, slechts een klein bouwseltje was in en van 't grote heelal, zo was de geest, werkend in die materie, een deel, zij het ook nog zo klein, van de Algeest, een atoom van de Ziel die 't heelal doortrilde, een tintlende lichtsprank van de Zon der Godheid.

En die lichtsprank zou blijven gloren wanneer de stof ineenstorten zou.

Geen vluchtig verschijnsel was de mens, maar een eeuwig wezen, voortgekomen uit God en weer reikhalzend naar God. Een eeuwige ziel, dolend in de ballingschap van de tijd, gebonden in de ketenen van het stof, en zuchtend naar bevrijding, naar ontbinding, naar terugkeer tot zijn vaderland.

 

U heeft de Oneindige uitgeademd,

Gij vindt geen rust dan in God zelf.


 

Make a Free Website with Yola.