Het numineuze

Het werk van Gustav Jung laat steeds weer zien, hoe juist de complexe psychologie oog heeft voor de ambivalente waarde van de numineuze verschijnselen en zich nergens laat verleiden om het numineuze object van zijn buitenredelijkheid te ontdoen.

Zoals het Latijnse woord religere aanduidt, is godsdienst of religie een zorgvuldig en gewetensvol beschouwen van wat Rudolf Otto zo treffend het Numinosum noemt: een dynamische existentie of werking, die niet door een willekeurige daad veroorzaakt wordt, maar integendeel de mens aangrijpt en beheerst. De mens is eerder slachtoffer dan de schepper ervan; het numineuze wordt willoos ervaren. Het numineuze, wat de oorzaak ervan ook mag zijn, is meer een voorwaarde voor het menselijk bestaan.

Geloof is een bijzondere instelling van de menselijke geest, die je volgens het oorspronkelijk gebruik van het begrip 'religie' zou kunnen definiëren als een zorgvuldig rekening houden met en beschouwen van bepaalde dynamische factoren. Deze worden opgevat als 'machten': geesten, demonen, goden, wetten, ideeën, idealen of hoe de mens de factoren ook aanduidt, waarvan hij in zijn wereld voldoende de macht, het gevaar of de hulp ondervonden heeft om ze de nodige aandacht te geven, of die hij als groot, mooi of zinvol genoeg heeft leren zien om ze te aanbidden en te beminnen.

Het numineuze gevoel op zijn hogere ontwikkelingsniveau verschilt zeer sterk van de demonische vrees zonder meer. Maar ook hier verloochent het zijn afkomst en verwantschap niet. Ook waar het demonengeloof allang in godengeloof is overgegaan, behouden de 'goden' als numina (bovennatuurlijke wezens met nog geen precieze voorstelling) voor het gevoel iets 'spookachtigs', namelijk het specifieke karakter van het 'angstig-geduchte', dat juist mede hun 'verhevenheid' uitmaakt, of hierdoor zich schematiseert. En dit moment verdwijnt ook niet in de hoogste fase, het niveau van het zuivere geloof in God, en mag hier ook volgens zijn wezen niet verdwijnen: het wordt alleen getemperd en bevoorrecht. Het 'afgrijzen' keert hier terug in de oneindig verheffende vorm van dat diep innerlijke sidderen en verstommen der ziel tot in haar verborgen grond. 

Ook in de christelijke eredienst wordt het hart er in geweldige mate door aangegrepen bij de woorden: 'heilig, heilig, heilig'. 

Het breekt uit in Gerhard Tersteegen's lied:

Gott ist gegenwartig.

Alles in uns schweige

Und sich innigst vor Ihm beuge.

Het verwart onze zinnen niet meer, maar het kan onuitsprekelijk ons innerlijk bevangen. Het blijft een mystieke huivering, en het roept als begeleidingsreflex in het zelfbewustzijn het beschreven creatuurgevoel te voorschijn, wat het gevoel is van eigen nietigheid, van het eigen verzinken tegenover het in de 'vreze' objectief beleefde Huiveringwekkende en Grote zelf. 

Dat ook Schleiermacher met zijn afhankelijkheidsgevoel deze 'vreze' in de grond bedoelde, blijkt wel uit terloopse verklaringen. Zo bijvoorbeeld in de tweede uitgave (editie Pünjer 1879) van zijn Redevoeringen:

'Wat dit heilige ontzag betreft, wil ik u gaarne toegeven, dat dit het eerste element der religie is.'

En geheel in overeenstemming met onze uiteenzettingen wijst hij hier op het totaal verschillend karakter van zulke 'heilige' vrees en alle natuurlijke vrees. En volkomen 'in numineus gevoel' is hij als hij schrijft:

'Dergelijke wonderbaarlijke, huiveringwekkende, geheimenisvolle ontroeringen' en 'welke wij te onvoorwaardelijk bijgeloof noemen, aangezien er toch klaarblijkelijk een vrome huiver, waarvoor wij ons niet schamen, aan ten grondslag ligt.'

Hier staan bijna al onze eigen termen voor het numineus gevoel bij elkaar. En hier is ook zeer beslist niet een soort van zelfgevoel in het spel, maar een reëel objectgevoel, 'het eerste element' in de religie. Tevens ontdekt Schleiermacher het numineuze gevoel weer in zijn 'ruwe' opwellingen die 'wij te onvoorwaardelijk bijgeloof noemen'. Al deze hier genoemde momenten hebben echter tegelijk klaarblijkelijk niets te maken met een 'afhankelijkheidsgevoel' in de zin van eenvoudigweg gesteld zijn dat wil zeggen van veroorzaakt zijn.

Als aanduiding voor het de numineuze tremor opwekkende moment leent zich een 'eigenschap' van het numen die in onze heilige teksten een belangrijke rol speelt, en door haar raadselachtigheid en ongrijpbaarheid zowel voor de exegese als voor de dogmatiek veel moeilijkheden heeft opgeleverd.

Iedere geloofsbelijdenis berust enerzijds wel op de ervaring van het numineuze maar anderzijds ook op pistis (trouw), geloof en vertrouwen tegenover een bepaalde ervaring van een numineuze werking en de daaruit voortvloeiende verandering van het bewustzijn. De bekering van Paulus is daar een treffend voorbeeld van. Het begrip 'geloof' karakteriseert een bijzondere instelling van een bewustzijn, dat door de ervaring van het numineuze is veranderd.

 

Make a Free Website with Yola.